Het zorgt voor een glimlach op mijn gezicht. Ik rijd de straat in op mijn leenfiets en zodra ik zicht krijg op ons landgoed, zie ik de sous-chef precies nog richting de achterdeur lopen. Ze draait haar hoofd en ziet mij ook. Een lach verschijnt, ook daar, en ik klingel wat met het lullige belletje op het stuur van dat tijdelijke rijwiel.
Na een lekkere van hot-naar-her dag, met een groep Japanners, filmcamera’s, een bouwvergadering, afscheid van een paar internationale collega’s en een verdwaalde brandoefening, zou ik mijn best doen om voor vijf uur thuis te zijn. Dit lukte glansrijk en er was nog precies even tijd om een kleine blik te werpen in het glazen huis hier naast de garage. Of nou ja, het aluminium huis met plastic ramen. Afgelopen weekend heb ik het stuk overdekte grond ingezaaid en voorzien van de eerste opgekomen stekjes. De sous-chef is nieuwsgierig en kijkt aandachtig mee naar wat er al te ontdekken valt.
De courgettes en komkommers zijn al miniplantjes, de radijsjes komen ook al in grote getalen boven de grond kijken en met onze neuzen wat dichter op de aarde zien we ook wat rode kool, rucola, pluksla en spinazie hun best doen groter te worden. Als laatste denken we een verdwaalde auberginespruit op te zien komen, maar dit kan ook onkruid zijn. Het geeft een licht euforisch gevoel, al dit nieuwe leven te zien groeien op een bedje van grond, midden in een woonwijk.
Naast degene groeiend in de kas, liggen binnen volgroeide en geoogste aubergines te wachten, alvorens ze in de oven geroosterd kunnen worden. Maar er wacht eerst nog een andere missie; een bedje, ook voor nieuw leven, niet van grond, maar van hout. ‘Past dat wel in onze auto?’, merkt mijn bijrijder op. Eerst maar even langs opa, die heeft een grotere auto.