Koud uit de koelkast vind ik ze het lekkerst. Zo koud dat ze eigenlijk zeer doen aan je tanden terwijl je er in bijt. Het sap moet zuur zijn, maar niet te zuur, want je tanden hebben al genoeg te verdragen van de kou. De geur maakt het compleet, de doordringende onmiskenbare geur van de sinaasappel. Die geur die als je even niet oplet de rest van de dag aan je vingertoppen kleeft.
Je kunt ze persen als je wilt, je hebt ze in de ‘handvariant’. Je hebt ze met veel vruchtvlees en witte draden, je hebt ze soms een tikkeltje uitgedroogd, of je hebt ze, zoals ik net, mooi helder en vol van smaak. De appeltjes van oranje, een naam die je rond deze periode ook weer veel hoort in een liedje over wat vroeger ’s lands grootste kinderfeest was. Nu is het vooral een feest voor grote mensen, grote bange mensen.
Bitter
Net als die mensen kan het oranje fruit bitter zijn, fabrikanten die er sap van maken gooien er dan ook zoveel suiker in dat een gemiddeld glaasje jus d’orange tegenwoordig net zo goed voor je lijf is als een handje chocolade pepernoten. Sinasappel dus, een smaak die iedereen kent. Van vroeger, wanneer je een glaasje versgeperst kreeg van je moeder. Een glaasje extra wanneer je ziek was. Verwerkt in een zakje thee, samen met een mandarijntje, als een fijn momentje in je favoriete hoekje van de bank. Of als smaak van de strepsil, bij beginnende keelpijn. De oranje appeltjes werken blijkbaar helend, laten we het hopen.
